Verhaal van V.R.

by | Août 26, 2021 | Ontroerende verhalen | 0 comments

Mijn moeder is veel te snel uit mijn leven verdwenen, ik was amper 15 jaar toen ze overleed. Een vrouw uit de duizend.

Ze zette 10 kinderen op de wereld: 8 zonen en twee dochters en had daarnaast nog 2 miskramen. Mijn zus, waarmee ik 20 jaar verschil was de oudste, ik een nakomertje en de jongste. Het kakkernestje, zoals ze in Aalst zeggen. Toen ons moeke van mij zwanger was verloor ze in 6 maanden tijd haar oudste zoon aan een hersenvliesontsteking en de jongste van 4 jaar aan de taaislijmziekte. Mijn oudste broer was een fantastische studax en net afgestudeerd als ingenieur. De mensen zegden dat hij gestorven was van te intens te studeren! Hij had gered kunnen worden als er voldoende penicilline voorradig geweest zou zijn, maar in 1948 was dat niet het geval. Ons moeke vertelde dat ik haar motor geweest was om verder te leven. Dat baby’tje had haar nodig. Ze was de spil van de familie. Ons huis was de zoete inval  voor buren, familie, vrienden… Ze creëerde een warm, veilig nest en was nooit ziek. Tot op een gegeven moment ze veel bloed verloor. Een schoonzus van mij die in de operatiezaal vaak een gynaecoloog assisteerde kon een afspraak vastleggen. Verdict: baarmoederhalskanker met  uitzaaiingen.  Men gaf haar nog 6 maanden te leven. Het werden er uiteindelijk nog 2. Het eerste jaar was nog vrij comfortabel maar het tweede een helse lijdensweg. Als haar gezicht verwrong van de pijn en ik vroeg: “Gaat het?” was haar reactie steevast: “Het gaat wel, kindje.”
Voor iemand die lijdt is de dood niet alleen een bevrijding voor de persoon zelf, maar ook voor de mensen om hen heen. Je voelt je zo machteloos. Natuurlijk deed het pijn toen ze overleed, maar in je binnenste smeek je dat er aan die lijdensweg eindelijk een einde mag komen.

Toen een van mijn broers ging trouwen, ik was toen 12-13 jaar mocht ik mee om het tante nonneke van mijn schoonzus in spe van hun trouwplannen op de hoogte te gaan brengen. Zuster Rita vroeg wat ik later wilde worden. Ja, verpleegster leek mij een mooi en zinvol beroep. Meteen werd daar op ingepikt. Ik kon in het weekend een handje komen toesteken. Het eten rondbrengen bij de  patiënten. Zuster Rita had de verantwoordelijkheid over een zaal met chambrettes.

Al gauw leerde ik ook patiënten wassen en bedden verschonen met patiënten erin. Handelingen die mij later van pas kwamen bij de verzorging van ons moeke thuis. Ik heb er tijdens de grote vakantie ook een weekje meegelopen in de nachtdienst. Er was personeelstekort en zuster Rita beloofde aan mijn moeder dat ik alleen de eerste ronde van de twaalf zalen zou meelopen en nadien kon slapen. Het werden evenwel lange en drukke nachten.

Ik had nog nooit een dode van nabij gezien. Bij aanvang van de eerste nacht waren er drie mensen stervende. Ik was bang, maar durfde die angst niet te uiten. De eerste nacht heb ik samen met de verpleegster en de zuster drie lichamen gewassen en afgelegd. Het waren geen geschonden lichamen. Ze lagen er sereen bij.

Toen ze in het ziekenhuis niets meer voor ons moeke konden doen werd ze naar huis verwezen. Samen met mijn schoonzuster die een paar huizen verder woonde verzorgden we haar in de laatste fase van haar leven, samen met onze huisdokter die elke dag langskwam. Bij elke verzorging voelden we weer nieuwe metastasen. De laatste weken zat ze onder de morfine. Hoe voorzichtig we ook waren bij haar verzorging, toch kreunde ze nog van de pijn. Ik was gelukkig voor haar toen haar hart het eindelijk opgaf.

Ze lag verschillende dagen thuis opgebaard. Ik ben vaak gaan kijken. Nog eens haar handen gestreeld.

Op de dag van haar begrafenis, baarde mijn zus haar vijfde kind. Dan word je echt met je neus op de kringloop van het leven geduwd: leven en dood zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De dag van haar begrafenis was een zonovergoten dag. Toen haar kist naar buiten gedragen werd en haar zes zonen, mijn vader en ik ons achter de lijkwagen schaarden, schoot het gedicht van G. Gezelle door mijn geest:

Traagzaam trekt de witte wagen
Door de stille straten toen
En ‘t is wenen en ‘t is klagen
Dat ze bin’ de wijte doen…

Wij weenden wel, maar klaagden niet. Er was wel dat grote gemis, een beklemmende leegte in je binnenste. Mijn moeder was amper 63 jaar en zou na een leven van hard werken eindelijk wat meer van het leven kunnen genieten. Het werd haar evenwel niet gegund.

Er rest de warme en gekoesterde herinnering aan een moeder voor wie haar gezin het kernpunt van de wereld was.

V.R.